De zuivelsector heeft de afgelopen weken samen met andere partijen een pakket van maatregelen samengesteld om de fosfaatproductie door de melkveehouderij in 2017 substantieel te verminderen. Betrokken partijen zijn: melkveehouders verenigd in LTO Nederland, NMV, NAJK, zuivelondernemingen verenigd in NZO, Diervoederbedrijven verenigd in Nevedi, de banken en het Ministerie van Economische Zaken. Gezamenlijk hebben zij een plan opgesteld dat ingrijpend is voor alle betrokkenen, maar ook noodzakelijk.

Onderstaande tekst & uitleg kunt ook downloaden als PDF-bestand (Voorgenomen sectormaatregelen fosfaatreductie).

Waarom een fosfaatreductieplan?

In 2013 heeft de zuivelsector in haar visie bekend gemaakt dat het voor de continuïteit belangrijk is uit te gaan van een grondgebonden melkveehouderij op basis van gezinsbedrijven en weidegang, waarbij de ontwikkeling van de melkveehouderij binnen de milieurandvoorwaarden plaatsvindt.

Omdat er in 2017 nog geen fosfaatrechtenstelsel wettelijk van kracht is, is een substantiële en spoedige reductie van de fosfaatproductie nodig om te voldoen aan de milieu-eisen van de Europese Commissie. Nederlandse melkveehouders mogen meer stikstof uit dierlijke mest op hun land brengen dan melkveehouders in andere EU-lidstaten (zogenaamde derogatie). Aan deze derogatie is de voorwaarde verbonden dat de fosfaatproductie van de totale veehouderij in Nederland onder de grens van 172,9 miljoen kilogram blijft. Door de groei van met name de melkveehouderij is die grens in 2015 overschreden. Ook dit jaar en volgend jaar dreigt overschrijding. Behoud van de derogatie voor de melkveehouderij en het respecteren van de daarbij behorende voorwaarden zijn in het belang van het milieu en de Nederlandse economie.
Op basis van constructief overleg met de Europese Commissie hebben partijen de verwachting dat met uitvoering van het fosfaatreductieplan de derogatie in 2017 veilig kan worden gesteld. Ook is het de verwachting dat hiermee de onderhandelingen over een nieuwe periode van derogatie (2018-2021) mogelijk zijn.

De maatregelen

De maatregelen voorzien in de reductie van op jaarbasis 8,2 miljoen kilogram fosfaat door de melkveehouderij. Dat is naar de huidige inzichten voldoende om in 2017 onder het fosfaatplafond te komen. Het pakket bestaat uit: (1) fosfaatreductie via voerspoor, die naar verwachting een reductie oplevert van 1,7 miljoen kilogram fosfaat; (2) de bedrijfsbeëindigers- en krimpregeling en (3) het Fosfaatreductieplan ZuivelNL. De laatste twee onderdelen leveren samen naar schatting 6,5 miljoen kilogram fosfaatreductie op.

1. Fosfaatreductie via voerspoor

De diervoederbedrijven verenigd in brancheorganisatie Nevedi hebben zich gecommitteerd in 2017 om de gehaltes aan bruto fosfor in het mengvoer verder te verlagen. Zij hebben daarvoor de bestaande “overeenkomst verbeteren mineralenefficiency via het voerspoor”, die is gesloten met de sectorpartijen NZO, LTO Nederland en de Vereniging van Accountants- en Belastingadviesbureaus (VLB), aangescherpt. De aanscherping betreft mengvoeders voor melkvee die in 2017 gemiddeld 4,3 gram bruto fosfor per kilogram voer bevatten. Aanvullend wordt door betrokken organisaties onderzocht of op het niveau van het totale voerrantsoen nadere afspraken mogelijk zijn. Hierbij worden de opties nagegaan op het individuele melkveehouderijbedrijf en in het bijzonder de mogelijkheden om de aankoop van enkelvoudige grondstoffen en/of vochtrijke bijproducten uit de levensmiddelenindustrie beter te managen en te sturen op fosfor in een totaalrantsoen benadering, dus inclusief ruwvoer.

2. Bedrijfsbeëindiging- en krimpregeling

In de eerste helft van 2017 wordt een bedrijfsbeëindigers- en krimpregeling opengesteld om de veestapel te reduceren. De regeling is in eerste instantie bedoeld voor bedrijven die de melkproductie in het eerste of tweede kwartaal van 2017 geheel willen beëindigen.

Voor de regeling is 50 miljoen euro beschikbaar. Dat bedrag is gedeeltelijk afkomstig uit de ‘nationale enveloppe’ van het EU-steunpakket van juli 2016 (19 miljoen van de 23 miljoen euro), die door de zuivelsector wordt aangevuld met 25 miljoen euro. Daarvoor zal ZuivelNL de contributiebijdrage van melkveebedrijven gedurende 2017 verhogen met € 0,18 per 100 kilogram melk. Daarnaast draagt het Ministerie van Economische Zaken 6 miljoen euro bij.

Deelname bij intekening

Melkveehouders die van de regeling gebruik willen maken, hebben drie keer de gelegenheid om in te tekenen. De eerste openstelling zal plaatsvinden vroeg in het eerste kwartaal van 2017. Nadere berichtgeving hierover volgt. De uit te keren premie per melkkoe wordt in de volgende intekenperiodes steeds lager en minder aantrekkelijk. De exacte premie moet nog worden vastgesteld. De koeien moeten uiterlijk binnen twee á drie maanden na afloop van de periode waarop is ingetekend, aantoonbaar zijn afgevoerd door middel van een dood-, export- of slachtverklaring. I&R-gegevens zijn daarbij leidend.

Voorwaarden

Uitsluitend het aantal koeien van de GVE-categorie 100 dat op 13 oktober 2016 op het bedrijf geregistreerd stond, komt voor de regeling in aanmerking. Bedrijfsbeëindigers mogen jongvee (GVE-categorieën 101 en 102) aanhouden, maar het aantal stuks jongvee mag in 2017 niet in aantal toenemen.

Liquiditeitsvoorziening

Vooruitlopend op het invoeren van fosfaatrechten per 1 januari 2018 zullen de banken een voorziening instellen voor een liquiditeitsoverbrugging. Dit is een normale activiteit van banken in situaties waarbij belangrijke wijzigingen in de bedrijfsvoering optreden. De melkveehouders dienen hierover zelf met hun bank contact op te nemen en afspraken te maken.

Overige melkveebedrijven

Op basis van de resultaten van de eerste inschrijvingsperiode zal worden besloten of de regeling naast de bedrijfsbeëindigers ook wordt opengesteld voor melkveehouders die hun bedrijf in 2017 voortzetten maar een deel van de melkveestapel inkrimpen.

De bedrijfsbeëindigers- en krimpregeling wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Naar verwachting levert de regeling een fosfaatreductie op van in totaal 2,5 miljoen kilogram.

3. Fosfaatreductieplan ZuivelNL

Het Fosfaatreductieplan ZuivelNL is gericht op de melkveebedrijven die in 2017 worden gecontinueerd. Het plan bevat twee regelingen die samen voorzien in een reductie van 4 miljoen kilogram fosfaat. Een veehouder kan zelf bepalen welke regeling voor hem/haar het best passend is.

A. Melkgeldregeling

In deze regeling wordt aan melkveebedrijven een referentievolume melk toegekend. Het referentievolume wordt gelijk gesteld aan de melkproductie in het kalenderjaar 2015 min 4 procent. Gedurende 2017 wordt de maandelijkse melklevering vergeleken met het referentievolume. Daarbij wordt het leveringspatroon van 2016 gevolgd tenzij de melkveehouder de voorkeur geeft aan het leveringspatroon van 2015. Melkveebedrijven die in 2017 op maandbasis meer melk leveren dan het referentievolume, worden gekort op het melkgeld. Op het teveel geleverde volume wordt een korting toegepast van 90 procent van de kale melkprijs (bij FrieslandCampina de garantieprijs); dat is de melkprijs exclusief eventuele toeslagen. Deze melkgeldregeling is verplicht voor alle Nederlandse leden-melkveebedrijven van FrieslandCampina.
Als alternatief voor de melkgeldregeling kunnen melkveehouders voor de GVE-reductieregeling kiezen.

B. GVE-reductieregeling

In deze regeling krijgt een melkveebedrijf een GVE-referentie. Die is gelijk aan het aantal GVE’s uit de categorieën 100, 101 en 102 zoals dat op 2 juli 2015 op het bedrijf geregistreerd stond, min 4 procent. Het bedrijf dient het aantal GVE’s uit deze categorieën dat op 1 oktober 2016 aanwezig was, te reduceren tot op of onder het niveau van de GVE-referentie. Deze taakstelling dient gedurende 2017 te worden gerealiseerd. De eventuele toename van het aantal GVE’s ná 1 oktober 2016 komt bovenop deze taakstelling.

Korting

In 2017 wordt de gemiddelde veebezetting maandelijks vergeleken met de GVE-referentie. Indien het aantal GVE’s hoger is dan de GVE-referentie wordt een korting toegepast op het maandelijkse melkgeld. Die korting wordt berekend door per maand aan elke boventallige GVE standaard 800 kilogram melk toe te kennen (ongeacht de werkelijke melkproductie) en daarop een korting van 90 procent op de kale melkprijs (bij FrieslandCampina de garantieprijs) toe te passen.

Gefaseerde reductie

Melkveebedrijven kunnen de korting op het melkgeld verminderen door meer GVE’s te reduceren (aantoonbaar door middel van een dood-, export- of slachtverklaring) dan de aanvoer/aanwas. De reguliere afvoer van nuchtere kalveren naar de kalvermesterij telt ook als vermindering. Voor elke gereduceerde GVE wordt de korting op het melkgeld verminderd door standaard 800 kilogram melk aan elke GVE toe te kennen, ongeacht de werkelijke melkproductie.
Voor de reductie worden in 2017 vijf perioden van ten minste twee maanden vastgesteld. Melkveebedrijven met te veel GVE’s ten opzichte van de GVE-referentie dienen aan het eind van de eerste periode 5 procent van het aantal GVE’s dat op 1 oktober 2016 geregistreerd stond, te hebben gereduceerd (tenzij een melkveehouder een lagere taakstelling heeft). In de tweede periode moet 10 procent van het aantal GVE’s dat op 1 oktober 2016 geregistreerd stond, zijn gereduceerd. In de derde periode moet, afhankelijk van het verloop van de totale nationale fosfaatreductie, maximaal 20 procent van het aantal GVE’s dat op 1 oktober 2016 geregistreerd stond, zijn gereduceerd.
Wanneer een melkveebedrijf zijn taakstelling heef gerealiseerd en op of onder zijn referentieniveau blijft is een verdere reductie niet noodzakelijk.
Voor bedrijven die hun taakstelling in de derde periode nog niet volledig hebben gerealiseerd wordt het percentage te reduceren GVE’s in vierde periode verder aangescherpt tot maximaal 40 procent. In de vijfde periode dienen alle melkveebedrijven de omvang van de veebezetting zoals die aan het eind van de vierde periode was, te handhaven of indien nog noodzakelijk verder te reduceren.
Als in de eerste maand van een periode de reductie niet tot het vastgestelde percentage is gerealiseerd, wordt de eerder genoemde korting toegepast over alle boventallige GVE’s ten opzichte van de GVE-referentie. Als in de tweede maand van diezelfde periode alsnog de reductie wordt gerealiseerd, wordt de korting terugbetaald.
In alle gevallen geldt dat de groei in het aantal GVE’s na 1 oktober 2016 gereduceerd moet worden.

Solidariteitsbijdrage

Deelnemers aan de GVE-reductieregeling die in een bepaalde periode wel het aantal vereiste GVE’s reduceren, maar desondanks de GVE-referentie nog niet hebben bereikt, dienen over alle nog te reduceren GVE’s maandelijks een solidariteitsbijdrage te voldoen. Die bedraagt 20 procent van de kale melkprijs (bij FrieslandCampina de garantieprijs) en wordt berekend door aan elke GVE boven de GVE-referentie 800 kilogram melk toe te kennen, ongeacht de werkelijke melkproductie.

Vrijstelling en bonus

Melkveebedrijven die in 2017 minimaal 4 procent minder GVE’s hebben dan op 2 juli 2015 geregistreerd stond, zijn vrijgesteld van beide regelingen. Zij ontvangen een bonus voor elke GVE (uit de categorieën 100, 101 of 102) onder de referentie van 2 juli 2015 min 4 procent tot een maximum van 2 juli 2015 min 10 procent. Daarmee worden deze bedrijven gestimuleerd de eventueel aanwezige latente ruimte onbenut te laten of extra GVE’s te reduceren. Per zuivelonderneming wordt de bonus betaald uit de opbrengst van de kortingen en de solidariteitsbijdragen. De hoogte van de bonus is afhankelijk van de aanwezige middelen en bedraagt tot en met september maximaal 60 euro per GVE per maand en in oktober tot en met december maximaal 200 euro per GVE per maand.

Als de opbrengst van de kortingen en solidariteitsbijdragen groter is dan wat er aan bonussen kan worden uitgekeerd, zal het restant aan bonussen in het eerste kwartaal van 2018 worden verdeeld over alle melkveebedrijven die een reductie hebben gerealiseerd ten opzichte van 1 oktober 2016.

C. Bijzondere situaties

Grondgebonden bedrijven

Bedrijven die in 2015 geen fosfaatoverschot hadden en daarmee volgens de definitie van de meststoffenwet grondgebonden zijn, hoeven bij deelname aan de GVE-reductieregeling geen krimp te realiseren ten opzichte van hun veebezetting op 2 juli 2015. In deze regeling wordt hun GVE-referentie gelijk aan de veebezetting op 2 juli 2015. Bedrijven dienen hun grondgebondenheid aan te tonen op basis van RVO-gegevens.

Bedrijfsoverdracht

In het geval bedrijven na 2 juli 2015 zijn overgedragen worden de referenties van deze bedrijven bij elkaar opgeteld tot een gecombineerd referentievolume. Dat geldt voor zowel de Melkgeldregeling als de GVE-reductieregeling. De bedrijfsoverdracht moet op basis van de RVO-gegevens worden aangetoond.

In- en uitscharen van vee

Voor melkveebedrijven die vee in- en uitscharen op een ander bedrijf, wordt een aparte regeling uitgewerkt. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de meststoffenwet.

GVE-categorie 120

Melkveebedrijven die vee uit de GVE-categorie 100 plaatsen in de GVE-categorie 120 (weide- en zoogkoeien) voldoen daarmee niet aan de reductie zoals bedoeld in GVE-reductieregeling. Uitsluitend door middel van een dood-, export- of slachtverklaring aantoonbaar afgevoerde GVE’s tellen mee.

D. Algemeen verbindend verklaring

Om voor alle melkveehouders en zuivelondernemingen in Nederland dezelfde systematiek te kunnen hanteren, zal ZuivelNL een zogenoemde Algemeen Verbindend Verklaring (AVV) voor het Fosfaatreductieplan ZuivelNL aanvragen bij het Ministerie van Economische Zaken. De AVV zal (na een toets door de Europese Commissie) zo spoedig mogelijk, maar gelet op de te doorlopen procedure, naar verwachting op 1 maart 2017 in werking kunnen treden.

E. Vervolgstappen

Voor de uitvoering van het Fosfaatreductieplan ZuivelNL zijn nog enkele vervolgstappen noodzakelijk:

  • er dient bestuurlijke instemming te zijn van de NZO (en aangesloten zuivelondernemingen), LTO Nederland, NMV en NAJK;
  • ZuivelNL (LTO Nederland, NZO, NMV) moet een aanvraag voor de Algemeen Verbindend Verklaring indienen;
  • de Europese Commissie moet instemmen met het totale maatregelenpakket voor de fosfaatreductie in 2017 wat moet leiden tot behoud van de derogatie voor 2017 en uitzicht op verlenging van de derogatie per 2018;
  • het Ministerie van Economische Zaken moet de Algemeen Verbindend Verklaring afgeven na een toets door Europese Commissie.

In de PDF vindt u enkele rekenvoorbeelden.