Zuivelsector kiest voor grondgebonden melkveehouderij

12 december 2013

De Nederlandse zuivelsector kiest voor een grondgebonden melkveehouderij en behoud van weidegang voor koeien. Voor bedrijven zonder grond is er in de visie van LTO Nederland en de Nederlandse Zuivel Organisatie (NZO) geen plaats. Datzelfde geldt voor melkveebedrijven met dichte stallen. Melkveebedrijven die een nieuwe milieuvergunning nodig hebben en geen weidegang toepassen wijzen zij eveneens af, tenzij deze bedrijven voldoende voedergewassen uit de nabije omgeving betrekken. Individuele zuivelondernemingen zullen geen melk afnemen en verwerken van nieuwe bedrijven die niet passen in het beoogde toekomstbeeld.

LTO en NZO zijn tevreden dat het Kabinet ruimte geeft voor de ontwikkeling van de melkveehouderij. Vanzelfsprekend vindt deze plaats binnen de grenzen van de overheid, maatschappij en sector. Grondgebondenheid en weidegang zijn belangrijke elementen uit de visie ‘Verantwoorde ontwikkeling van de Nederlandse melkveehouderij’ van LTO en NZO. Na afschaffing van de melkquotering kan de zuivelsector een bijdrage blijven leveren aan de groeiende vraag naar zuivel in de wereld als belangrijke bron van natuurlijke voedingsstoffen. Dit zal ook in de toekomst worden gerealiseerd binnen de milieurandvoorwaarden van de Rijksoverheid. Met deze visie bouwen LTO en NZO voort op hun eerdere initiatieven om de sector verder te verduurzamen (zoals Duurzame Zuivelketen, Convenant Weidegang en Zuivelplan mest en mineralen).

Verantwoorde ontwikkeling
De zuivelsector staat voor een verantwoorde ontwikkeling van de melkveehouderij met respect voor dier, omgeving en milieu. Om de melkveehouderij na het wegvallen van de melkquotering in 2015 op verantwoorde wijze te laten ontwikkelen worden de volgende maatregelen genomen:

  • Behoud van weidegang op het niveau van 2012 zoals afgesproken in het Convenant Weidegang. De sector zal passende maatregelen nemen als het beoogde niveau niet wordt gerealiseerd;
  • De instelling van een fosfaatplafond en het nemen van maatregelen zodat de melkveehouderij binnen de milieurandvoorwaarden van de Rijksoverheid blijft voor fosfaat, ammoniak en broeikasgas;
  • Beroep op overheden om geen vergunning te verlenen aan ongewenste typen melkveebedrijven;
  • De zuivelondernemingen weigeren melk van ongewenste typen nieuwe melkveebedrijven.

 

Met deze maatregelen geven LTO en NZO antwoord op de vragen die leven in de sector en de maatschappij over de toekomst van de melkveehouderij in Nederland.

Grondgebonden gezinsbedrijf
De melkveehouderij in Nederland is altijd een grondgebonden sector geweest. Een goede verhouding tussen grond en dier is van groot belang en levert een grote bijdrage aan het open Nederlandse cultuurlandschap. In de visie van LTO en NZO blijft het grondgebonden gezinsbedrijf de basis van de melkveehouderij. De melkveebedrijven moeten lokaal zijn ingepast en de koeien zijn zichtbaar voor het publiek.
Samen vormen de melkveehouderij en de zuivelindustrie een robuuste economische sector met concrete doelen op het gebied van klimaat & energie, diergezondheid & dierenwelzijn en biodiversiteit & milieu.

Eigen maatregelen
LTO en NZO willen de toekomstvisie realiseren door samen met partners in de keten te innoveren en zo verder te verduurzamen. De sector neemt zelf haar verantwoordelijkheid om de gestelde duurzaamheidsdoelen te behalen. Verder zorgt zij ervoor dat de ontwikkeling van de melkveehouderij plaats zal vinden binnen de gestelde milieurandvoorwaarden (Zuivelplan). Er vindt een jaarlijkse onafhankelijke monitoring en rapportage plaats. De sector neemt zo nodig niet-vrijblijvende maatregelen als de ontwikkeling van de melkveehouderij tot meer uitstoot van mest en mineralen leidt dan de milieurandvoorwaarden van de overheid toestaan. Zo gaat de sector werken met een ‘early warning’ systeem voor de monitoring van het fosfaatplafond. Daarnaast zal, indien nodig, het fosfaatgehalte in veevoer kunnen worden verminderd, een uitgebreidere toepassing van de KringloopWijzer als managementinstrument voor de melkveehouder worden doorgevoerd en mogelijk een fosfaatheffing worden ingesteld over het fosfaatoverschot van de individuele melkveehouder. Als al deze maatregelen niet hebben gewerkt heeft de overheid nog de mogelijkheid om het mestverwerkingspercentage te verhogen en grenzen te stellen aan de uitbreiding.

Om het niveau van weidegang van 2012 te behouden worden zo nodig passende maatregelen genomen. Zoals een hogere financiële bonus (weidegangpremie) dan wel een malus voor bedrijven die niet voldoen en workshops/adviezen om weidegang toe te passen. De partners in het Convenant Weidegang worden gevraagd bij te dragen aan het behoud van weidegang.

Beroep op vergunningverleners
LTO en NZO doen een beroep op regionale en lokale vergunningverleners om bij het verlenen van nieuwe vergunningen rekening te houden met deze toekomstvisie. Dat kan door aanvullende eisen te stellen aan bedrijven die een vergunning nodig hebben, zodat deze boerderijen gegarandeerd grondgebonden zijn. In de visie van LTO en NZO zullen bedrijven die een milieuvergunning nodig hebben weidegang moeten toepassen of voldoende voedergewassen uit de nabije omgeving moeten betrekken. De zuivelsector verzoekt lokale en regionale overheden om geen vergunningen te verlenen aan bedrijven met dichte stallen en bedrijven zonder grond.